Ik zie, Ik zie
‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet en het is blauw’, hoor ik een kinderstem mij vragen. Ik noem alles op wat ‘blauw’ is: de spijkerbroek, het blauwe melkpak, de lucht. Ik begin zelfs ook turkooizen dingen op te noemen. En nadat ik ‘alles’ heb opgenoemd en het opgeef, wijst de jongeman triomfantelijk naar mijn blauwe hoed op mijn hoofd. De slimmerik!
Deze zesjarige jongeman leert mij in een paar tellen dat er over ‘blauw’ veel te vertellen valt en dat er meer kleuren ‘blauw’ zijn dan ik dacht. Ook leert hij mij dat de kleur ‘blauw’ er wel degelijk kan zijn, maar dat je de kleur niet een-twee-drie hoeft te zien. Was ik maar in zijn gedachten gekropen en had ik maar door zijn ogen gekeken, wellicht had ik dan wel mijn blauwe hoedje gezien!
De afgelopen 15 jaar ben ik op zoek geweest naar de grondslagen van ontmoeting. Een zoektocht in literatuur, films, kunst en wetenschap, maar misschien vooral bij families thuis aan hun keukentafel en gesprekken met collega’s in het veld. En in die ontmoeting vroeg ik me keer op keer af: wat gebeurt er hier? En waar hebben we het nu eigenlijk echt over? Gaat dit gesprek over ‘ik red het niet meer nu mijn man kanker heeft gekregen’ of gaat dit gesprek over het omgaan met emoties, wie is verantwoordelijk voor de zorg, welke keuzes ga je maken. En zo ontdekte ik langzaam de grondslagen van ontmoeting…
Het boek ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ gaat over de vraag: waar hebben we het nu eigenlijk echt over?
Contact
Een kind wordt mens tussen de mensen’. Aldus Kohnstam. Een baby vertoont bij het zien van een mens tekenen dat hij zich prettig voelt. Door huilen, kraaien en vastpakken probeert hij een ander mens bij zich te houden. De eerste tekening is een mensengezicht, het eerste lachje is voor de mens. Voor het ontstaan van een ik-gevoel en het zelfbesef zijn andere mensen een spiegel en zijn hun reacties allesbepalend.
Een kind ontwikkelt zich volgens Kohnstamm vooral door te leren van het gedrag van betekenisvolle personen en niet door hun lesjes in woorden. Een kind wordt ‘dronken’ van macht wanneer het ontdekt dat het in de relatie met de ander zelf dingen kan laten gebeuren of juist niet. Het zelfvertrouwen groeit door dit soort contact.
Het gezin, maar ook de school zijn minimaatschappijen waar een kind afhankelijk van zijn positie leert om soepel of star te zijn, samenwerkend of op zichzelf gericht, vol rivaliteit of sociaal. Een kind ‘oefent’ zijn sociale omgang, wat later bepalend is voor de ontmoeting met anderen.
Wat is uw voornaamste reden om contact te maken?
Verantwoordelijkheid
Scheler meent dat er een wezenlijk verschil is tussen mens en dier. Het specifiek menselijke is ‘geest’. Alleen de mens is zich bewust van zijn behoeften en kan er afstand van nemen. De mens kan weigeren om eerste levensbehoeften te bevredigen, dat kan een dier niet. Alleen de mens kan in hongerstaking gaan, agressie onderdrukken en verleidingen weerstaan. De mens is meer dan een levend wezen, hij kan zich bevrijden van natuurlijke drijfveren.
Bent u altijd verantwoordelijk voor uw handelingen?
Keuzes maken
‘Crises doen zich overal voor waar leven is’. Bij ziekte, huwelijk, geloof en economie. Bij een crisis verdwijnt het evenwicht, wordt het patroon doorbroken en moet er gekozen worden. Een crisis is dan ook een angstige en pijnlijke aangelegenheid volgens Bollnow. Geen houvast meer, maar vertwijfeling. Op de puinhopen van het oude wordt een nieuw leven mogelijk. Bollnow noemt dit een ‘discontinue’ proces en ziet het plots doorbreken van ‘inzicht’-bijvoorbeeld na een crisis – en het toepassen van dit inzicht als een vorm van ‘leren’. Maar niet bij iedereen breekt plotseling inzicht door. Opvoeders zijn machteloos omdat ‘inzicht’ niet is te plannen, niet is aan te leren. De opvoeder heeft dus niet in de hand wat het kind zal worden, de therapeut heeft niet in de hand want het echtpaar gaat doen.
Op grond waarvan kiest u? Geloof, macht, liefde geluk, geld.
Omgaan met emoties
Omgaan met emoties doen we minimaal een keer per dag in 98% van de situaties in de nabijheid van anderen. Er is een groeiende belangstelling onder wetenschappers om onderzoek te doen naar emotieregulering omdat en ‘inadequate’ emotieregulering een van de voornaamste redenen is van individuele problemen. Als iemand zijn emoties niet goed kan reguleren is er voor die persoon een groter risico op sociale, relationele, academische, werkgerelateerde en fysiologische problemen. Mensen met een adequate emotieregulering, maken vaker deel uit van gelukkige en goed functionerende relaties, zowel op het romantische als familiale vlak. Het hebben van een partner met een ‘goede’ emotieregulering is een buffer voor negatieve persoonlijke effecten.
Welke plaats hebben emoties in uw leven?
Verbondenheid
In de relatie tussen mensen speelt verbondenheid een grote rol. De hechtingsstijl van een mens bepaalt op welke manier hij ‘in verhouding staat’ tot anderen. Alle kinderen hebben een bepaald soort gehechtheid, maar onveilig gehechte kinderen hebben veel vaker te kampen met leer- of relatieproblemen, zijn moeilijker aanspreekbaar en ontwikkelen een lager gevoel van eigenwaarde.
Vraag: met wie voelt u zich verbonden?
Cirkels in het leven
Het ontwikkelen van ‘reflectie’ verloopt volgens Kohlberg (1981) in een drietal fasen: In de preconventionele fase doet het kind wat de ouder wenst. Van buitenaf wordt bepaald wat goed en wat kwaad is. Het kind internaliseert de opgelegde waarden en normen en houdt ze in stand. Het kind leeft bij het idee dat het goed dan wel verkeerd handelt, omdat het de conventies van de gemeenschap volgt. In de derde fase, de postconventionele fase, kijkt de persoon kritisch naar de vanzelfsprekende conventies. Hij vraagt zich af waarom hij zo denkt en of hij het er wel mee eens is. De eerste fase speelt zich vooral in het gezinsleven af. Hierin maakt het kind voor het eerst kennis met de waarden en normen die in het gezin gelden. Daarna gaat het kind naar school, komt het in contact met andere leeftijdsgenoten en krijgt het nieuwe informatie. Het referentiekader van het kind wordt breder. ‘Kritische reflectie’ op de set van waarden en normen, de postconventione fase, is volgens Kohlberg maar voor enkelen weggelegd. Veel volwassenen bereiken deze derde fase nooit, volgens Kohlberg.
In de drie fasen leren mensen stap voor stap niet zozeer wat ze moreel moet denken, maar hoe ze moreel moeten denken.
Heeft u weleens een conventie losgelaten?
Waar gaat het nu eigenlijk echt over? In een gesprek met een familie over hun zorgsituatie, bij het implementeren van een methode of tijdens een gesprek met een huisarts. Steeds opnieuw zijn er de levensthema’s die deze ontmoetingen kleuren, ze dragen het contact en zijn allesbepalend. Of je wilt of niet, indirect of direct, je hebt het altijd over deze thema’s.
De klacht bij een zorgcentrum: “mijn man wordt hier slecht behandeld, de zorg is niet goed” gaat over: Hoe verloopt het contact? Wie is verantwoordelijk voor de zorg? Hoe gaan we om met emoties? Waar is voor gekozen? Hoe voelen we ons verbonden?
In het boek vind je geen antwoorden, geen competenties, geen duidelijkheid over ‘hoe je zorg moet verlenen’ of methodisch moet werken.
Integendeel, de thema’s geven geen antwoorden, maar roepen vragen op over de thema’s van het leven zelf. En gelukkig kunnen wij deze vragen onderzoeken, antwoorden delen en van elkaar leren. Ieder ziet het op zijn eigen manier…
Vanuit de wereldliteratuur zijn er boekfragmenten van o.a Tolstoj en Primo Levi. Schrijvers vertellen soms meer als een leerboek. Vanuit de menswetenschappen is er kennis en zijn er vragen voor dialoog. Vanuit de kunst zijn er zes beelden van kunstenaar Victor Sonna waarmee je oneindig het spel ‘ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’ kunt spelen.
‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ is een klein boekje over grote vragen.
© Uit deze lezing mag niets zonder toestemming van de auteur gekopieerd worden.

